De lobby om rookvrije sportcomplexen af te dwingen is voorlopig een sof. De Hartstichting benaderde vorig jaar 2.000 sportclubs – van de in totaal 25.000 Nederlandse sportverenigingen – met het verzoek om hun sportcomplexen rookvrij te verklaren. Met name voetbal- en hockeyclubs werden aangeschreven. Slechts 75 clubs in Nederland gaven aan geheel rookvrij te willen zijn, waarvan zeven uit deze regio.

Sanne Stadler, woordvoerder van de Hartstichting: ,,Geen bestuurder zegt tegen het idee van een rookvrij complex te zijn.’’ Maar ja, vele clubs hebben ook verstokte rokers als leden, zij vormen een kwart van de volwassenen in Nederland. Die groep willen ze niet tegen zich in het harnas jagen. ,,En de reactie van rokers blijkt dan uiteindelijk toch een reden om een verbod maar niet in te voeren.’’

Nieuwe stap
Dat probleem erkent Ole Heil, woordvoerder van staatssecretaris Martin van Rijn (Volksgezondheid, Welzijn en Sport). ,,Roken en sport is een ondenkbare maar bestaande situatie. Het zal echter toch een kwestie van tijd zijn en dan worden alle sportcomplexen in Nederland rookvrij. We zijn nu bezig met schoolpleinen, die vanaf 2020 allemaal geheel rookvrij moeten zijn. Sportcomplexen moeten volgen, een logische nieuwe stap.’’

Waarom zeggen sportbestuurders ‘ja’ en ‘doen’ ze ‘nee’? Abram de Swaan, emeritus hoogleraar sociale wetenschap van de Universiteit van Amsterdam, bestudeert al jarenlang mens en maatschappij: ,,Je kunt natuurlijk niet tegen een rookverbod op sportcomplexen zijn, zeker niet als bestuurder. Dus steun je een verbod in het openbaar en vervolgens krijg je binnenshuis te maken met de uitbater van de kantine en die wil het bij het bier vooral gezellig houden. Laat de gasten buiten roken, zegt hij.’’ Dan denken bestuurders aan de clubkas. ,,Van de kantine gaan veel baten naar de club. Dus praten ze met twee monden: zeggen ze buiten de vereniging ja en binnen doen ze nee.’’

Andre Valkeman, Stentor