Ontwikkeling roken in de horeca Rookvrij horeca Met ingang van 1 juli 2008 geldt er een rookverbod in de horeca.

Consumenten en horecaondernemers verzetten zich hier aanvankelijk tegen, waarbij er verschillende juridische procedures werden gevoerd en regelgeving is aangepast. Sinds 1 januari 2015 is er sprake van rust en acceptatie ten aanzien van het rookverbod in de horeca en dat zien we terug in de nalevingscijfers. Uit cijfers van Bureau Intraval, dat sinds 2008 de naleving van het rookverbod monitort1 , blijkt dat 94% - 100% van de cafés en discotheken in 2017 rookvrij is (ten opzichte van 88% - 98% in 2016). Er is een significante stijging te zien bij de kleine cafés; in 2016 was 88% rookvrij, in 2017 was dat 98%! Het nalevingsniveau van het rookverbod in de cafés en discotheken is daarmee gelijk aan de nalevingsniveaus die al sinds het begin van het rookverbod worden gehaald bij restaurants, cafetaria’s en hotels. De heer Blokhuis, staatssecretaris van VWS, schrijft in zijn brief aan de Tweede Kamer van 23 april 20182 dan ook terecht: “Ik ben blij dat de naleving bij de kleine cafés verder is toegenomen en dat de rookvrije horeca zich lijkt te hebben genormaliseerd.” Aantal rokers daalt gestaag Uit cijfers van de Gezondheidsenquête/Leefstijlmonitor3 blijkt dat in 2017 23,1% van de Nederlandse bevolking van 18 jaar en ouder wel eens rookt en 17,3% dagelijks. In 2014 bedroegen deze percentages 25,7% en 19,7%. Het aantal rokers in Nederland daalt dus langzaam maar gestaag. Het beleid van de Nederlandse regering is er sinds jaar en dag op gericht dat minder volwassenen roken en kinderen niet beginnen met roken. Koninklijke Horeca Nederland (KHN) onderschrijft die doelstelling. Ook in de maatschappij zien we dat de mening over roken de afgelopen 10 jaren is verschoven en de verwachting is dat de maatschappelijke opinie in de toekomst verder zal opschuiven. Het kabinet geeft in het Regeerakkoord4 aan dat zij een rookvrije generatie nastreeft. In het Preventie-akkoord worden daar op dit moment plannen voor ontwikkeld. Bij de gesprekken over ‘roken’ die in het kader van dit akkoord plaatsvinden, zijn maatschappelijke organisaties wél betrokken, maar vertegenwoordigers van verkopers van tabaksproducten of locaties waar kan worden gerookt (waaronder de horeca) niet. Er wordt dus wel over industrie en verstrekkers gesproken en maatregelen die hen kunnen raken, maar niet met deze partijen. In cassatie en aankondiging verbod rookruimten Op 13 februari 2018 heeft het gerechtshof Den Haag in een vonnis bepaald dat de wettelijke regeling waarbij rookruimten onder andere in de horeca zijn toegestaan, in strijd is met het WHO-Kaderverdrag dat Nederland heeft ondertekend. Hoewel staatssecretaris Blokhuis op 6 april 2018 heeft aangekondigd cassatieberoep in te stellen tegen deze uitspraak, heeft hij die dag tevens bekend gemaakt dat hij rookruimten met een overgangstermijn van twee jaar wil verbieden. 1 Inventarisatie naleefniveau rookvrije horeca najaar 2017; bureau Intraval 2 Voortgangsrapportage nalevings- en handhavingscijfers NVWA tabak en rookwaren; brief van 23 april 2018 3 Kerncijfers Roken 2017: CBS, i.s.m. Trimbos-instituut en RIVM, 2017 4 Vertrouwen in de Toekomst; p 13 Position Paper Rookruimten juni 2018 2/3 Onze zorgen: verbod rookruimten heeft enorme impact op gastvrije ondernemers Toen het rookverbod in de horeca op 1 juli 2008 inging, werd direct de uitzondering opgenomen dat roken in een rookruimte wél is toegestaan. Een uitzondering die ook gold en nog steeds geldt voor werkplekken (o.a. kantoren) en overheidsgebouwen waar al eerder een rookverbod gold. Hoewel de regelgeving in de afgelopen 10 jaren is aangepast, bleef de bepaling met de uitzondering van de rookruimte al die tijd onveranderd. In toelichtingen op wetsaanpassingen is nooit gesteld dat er op termijn een einde zou komen aan de uitzondering van het rookverbod voor rookruimten. Horecaondernemers willen gastvrij kunnen zijn voor al hun gasten. Vertrouwend op bestendigheid van wetgeving heeft een flink aantal horecaondernemers er voor gekozen om rokende gasten, toch nog bijna een kwart van alle Nederlandse volwassenen, te accommoderen door ze de gelegenheid te bieden te roken in een rookruimte. Het merendeel van de ruim 42000 horecabedrijven heeft overigens geen rookruimte. Ondernemers zijn op dit moment vrij in de keuze om de rokende gasten te faciliteren via een rookruimte of niet. Er is dus keuze voor zowel de ondernemer als voor de gast. In de praktijk leveren de rookruimten geen problemen op. Enquête KHN. Schade bij ondernemers KHN heeft in april/mei 2018 een enquête gehouden onder haar leden om de impact van het kabinetsvoornemen om rookruimten op termijn te verbieden in kaart te brengen5 . Op basis van die enquête concludeert KHN dat er tussen de 5700 en 7600 rookruimten zijn in de Nederlandse horeca. Uit de enquête blijkt ook dat ruim 60% van alle rookruimten in 2009 of later is gebouwd. Van de respondenten heeft 36,5% de laatste vijf jaar geïnvesteerd in een rookruimte. In totaal is er door de sector een bedrag tussen de € 69 en € 92 miljoen geïnvesteerd in rookruimten. Investeringen variëren van een paar honderd euro tot tienduizenden euro’s. De gemiddelde investering bedraagt € 12500 per rookruimte. De schade die ondernemers leiden wanneer rookruimten worden verboden, gaat verder dan de gedane investeringen. Er zullen ook kosten moeten worden gemaakt om rookruimten af te breken dan wel te reinigen. Daarnaast verwacht 79% van de ondernemers met een rookruimte dat het verbod hen ook gasten en dus omzet zal kosten. Openbare orde en veiligheid De schade beperkt zich niet tot de schade voor horecaondernemers. Het verbod zal ook maatschappelijke gevolgen hebben. Door het verbod zullen rokers massaal op straat komen te staan. Bij een kleine 39% van de ondernemers betekent dat de openbare weg, bij ruim 57% het terras bij het bedrijf. 93% van de ondernemers verwacht meer overlast op straat. Meer mensen op straat betekent een groter risico op geluidsoverlast en mogelijke verstoringen van de openbare orde. Horecaondernemers willen dit uiteraard voorkomen, maar hun mogelijkheden daartoe zijn beperkt, zeker op de openbare weg. Bovendien is het wrang dat de landelijke overheid de roker de straat op jaagt en de burgemeester (verantwoordelijk voor de openbare orde) ze zo snel mogelijk weer naar binnen wil hebben. 5 https://www.khn.nl/nieuwsberichten/2018/05/khn-overheid-moet-horeca-tegemoet-komen-in-tijd-of-geld-bij-verbodrookruimten Position Paper Rookruimten juni 2018 3/3 Bij grote concert- en evenementenlocaties die duizenden tot tienduizenden bezoekers ontvangen (denk bijvoorbeeld aan de Ziggo Dome) zal een verbod op rookruimten ook grote gevolgen hebben. De veiligheidsrisico’s inclusief terreurdreiging van tegenwoordig maken het noodzakelijk strenge security-checks te hanteren bij de ingangen van deze locaties. Een verbod op rookruimten is voor deze locaties onwerkbaar vanwege de veiligheidsrisico’s in verband met het in- en uitgaande verkeer. Wat moet er gebeuren? Dat er ondanks deze grote impact door het kabinet voor wordt gekozen om rookruimten op termijn te verbieden, is een politieke keuze. KHN vindt dat dit besluit zeer zorgvuldig moet worden genomen en uitgevoerd en dat daarbij rekening moet worden gehouden met de belangen van horecaondernemers. En dat laatste is niet het geval als de aangekondigde termijn van 2 jaar wordt aangehouden om rookruimten uit te faseren. Het kabinet heeft zich bovendien naar onze mening onvoldoende rekenschap gegeven van de effecten die een verbod op rookruimten heeft op de openbare orde en veiligheid. Het aantal rokende Nederlanders is met bijna een kwart gewoon nog te groot. Het is realistischer het afschaffen van rookruimten te koppelen aan het percentage rokers. Het percentage van 23,1% moet minimaal gedaald zijn naar 10% voordat je rookruimten kunt afschaffen zonder maatschappelijke onrust. Ten slotte is het naar onze mening ongeloofwaardig dat wanneer een verbod op rookruimten wordt ingevoerd omwille van de volksgezondheid een dergelijk verbod eerder in werking zou treden in de horeca dan in kantoorgebouwen (of op andere werkplekken) en andere voor publiek toegankelijke gebouwen (zoals (semi)overheidsgebouwen). Daarom moet er volgens KHN het volgende gebeuren: 1. Overgangstermijn van 2 jaar veel te kort Er moet een fatsoenlijke periode komen om gedane investeringen in rookruimten te kunnen terug verdienen. Twee jaar is veel te kort. Een termijn van minimaal 6-10 jaar is noodzakelijk. Blijft de overgangstermijn twee jaar, dan moeten ondernemers financieel gecompenseerd worden. 2. Gevolgen voor de openbare orde, geluidsoverlast en veiligheid Een verbod op rookruimten gaat leiden tot meer rokers op straat en dientengevolge tot meer geluidsoverlast en impact op de openbare orde en veiligheid. Overheden zullen daar coulant mee om moeten gaan en creatief mee moeten denken en handelen zodat horecaondernemers niet dubbel de dupe worden. Er moeten afspraken worden gemaakt met de VNG en het NGB, het ministerie van VWS heeft hierin een leidende rol. 3. Verbod moet gelden voor alle rookruimten op hetzelfde moment Een verbod op rookruimten moet overal op hetzelfde moment gaan gelden. Dus op het zelfde moment gaan gelden voor zowel horeca als kantoren, overheidsgebouwen of andere voor publiek toegankelijke gebouwen.