Rookbeleid en onderzoek Trimbos-instituut over verband
tussen roken en sterfte

De gekozen onderzoeksopzet is te beperkt met misverstanden en verkeerde
conclusies als gevolg
Onderzoeksopzet
Uit het onderzoeksverslag blijkt dat de onderzoekers zich bij hun onderzoek naar
het verband tussen roken en sterfte beperkt hebben tot het onderzoeken van het
effect van slechts één factor(roken) op het stervensproces.
Uit het feit dat er zware rokers zijn die even oud worden als niet-rokers en uit het feit dat er
ook niet-rokers zijn die net zoals rokers voortijdig overlijden, valt echter op te maken, dat er
toch ook nog heel wat andere factoren zijn (dan het al dan niet roken) die op het ontstaan
van dezelfde ziektes en bijbehorende sterftecijfers van invloed zijn. Hierbij kan dan zeker
ook aan factoren worden gedacht, waarmee rokers misschien wel eens meer zouden
kunnen worden geconfronteerd dan bij niet -rokers het geval is.
Zo zouden rokers wel eens meer dan niet-rokers in woongebieden kunnen wonen,
waarbinnen de lucht meer vervuild is dan in andere woongebieden. Daarnaast is het ook

niet ondenkbaar dat rokers eveneens oververtegenwoordigd zullen zijn in de lagere-
inkomensgroepen, en als gevolg daarvan jarenlang verstoken zijn geweest van goede

voeding en van de benodigde medische zorg en fysiotherapie, omdat zij geen geld hadden
om een aanvullende verzekering af te sluiten en/of de vereiste eigen bijdrage te kunnen
betalen.
Verder zou het ook nog wel eens kunnen dat er meer rokers dan niet-rokers in beroepen
werkzaam zullen zijn waarbij de hele werkdag lang in het fijnstof op en langs wegen en
vliegvelden moet worden gewerkt, of waarbij dagelijks met gevaarlijke/giftige stoffen of
onder levensbedreigende- en stressvolle omstandigheden gewerkt moet worden.
De invloed van het effect van al deze maatschappelijke factoren op het sterftecijfer, zou wel
eens veel groter kunnen zijn dan bij de factor roken het geval is.
Misverstanden en verkeerde conclusies
Als uit nader onderzoek mocht blijken dat ook de hierboven genoemde andere factoren tot
het ontstaan van dezelfde levensbedreigende ziektes zouden kunnen leiden, dan zal het
voortaan ook niet meer mogelijk zijn om de oorzaak van deze ziektes op voorhand alléén en
uitsluitend aan de factor/variabele roken toe te schrijven.
Bij een onderzoek naar het verband tussen roken en sterfte (zoals dat bij het onderzoek van
Trimbos-instituut het geval is) kan aan dit alles dan ook niet worden voorbijgegaan. Zeker
niet als men wil aantonen dat roken een oorzakele variabele zou zijn.
Bij dit onderzoek hebben de onderzoekers van dit instituut eigenlijk een speciale vorm van
experimenteel onderzoek gebruikt. Een onderzoeksmodel waarbij slechts van twee groepen
wordt gebruikgemaakt.
Een experimentele groep die blootgesteld is geweest aan de veronderstelde causale
variabele (roken); en een controlegroep waarbij dat niet het geval is geweest. En waarbij
beide groepen dan in termen van het veronderstelde effect (verschillende sterftecijfers) met
elkaar worden vergeleken. Bij deze vergelijking dient er dan echter wel voor te worden
gezorgd, dat beide groepen aan elkaar gelijk zijn voor wat betreft de hiervoor genoemde
andere factoren, die mogelijk eveneens op het stervensproces van invloed kunnen zijn
geweest. Dit is nodig om vast te kunnen stellen, of er al dan niet een causaal verband
tussen roken en sterfte bestaat.

Aangezien er bij het onderzoek van het Trimbos- instituut in het geheel geen onderzoek
naar het optreden van deze andere factoren is gedaan, kan gesteld worden, dat aan de
resultaten van dit onderzoek in ieder geval niet de conclusie mag worden verbonden dat
daarmee zou zijn aangetoond dat er een causaal verband tussen roken en sterfte bestaat.
De enige conclusie die in dit verband wel zou kunnen worden getrokken is, dat er wel nog
sprake is van een statistisch verband. In dit schrijven wordt er de voorkeur aan gegeven om
van een statistisch verband en niet van een aan roken-gerelateerd verband te spreken,
omdat er daarbij (anders dan wat bij de term roken-gerelateerd verband het geval is) niet op
voorhand van wordt uitgegaan, dat er toch al wel enige vorm van causaliteit tussen de
onderzochte variabelen bestaat.)

Het onderzoek dat over het jaar 2013 gaat

Het voorafgaande commentaar is onverminderd ook van toepassing op het onderzoek dat
over het jaar 2013 gaat. Dit betekent dat er ook met dit onderzoek niet kon worden
aangetoond, dat er een causaal verband tussen roken en sterfte bestaat. Dit houdt in dat er
bij de presentatie van de resultaten van dit onderzoek in ieder geval niet de uitspaak mag
worden gedaan, dat de verschillen die er tussen de resultaten van rokers en niet-rokers
blijken te bestaan, het gevolg van het roken of niet-roken zouden zijn.
In het onderzoeksverslag dat over het jaar 2013 gaat wordt vermeld, dat uit het onderzoek
blijkt "dat de roker al op relatief jonge leeftijd overlijdt. Naar schatting haalt 23 procent van
de rokers die hun hele leven zwaar roken de leeftijd van 65 jaar niet. Van de lichte rokers
overlijdt 11 procent, van de niet-rokers 7 procent vóór de 65-jarige leeftijd. Van zware rokers
is de levensverwachting gemiddeld 13 jaar korter dan van mensen die nooit hebben
gerookt. Matige rokers verliezen naar schatting 9 levensjaren lichte rokers 5 jaren".
De wijze waarop deze onderzoeksresultaten werden gepresenteerd, werkt het ontstaan van
misverstanden en verkeerde conclusies in de hand.
Het begint al met de openingszin "dat uit het onderzoek blijkt dat de roker al op relatief jonge
leeftijd overlijdt". En met de daarop volgende zin:" naar schatting haalt 23 procent van de
rokers die hun hele leven zwaar roken de leeftijd van 65 jaar niet."
Uit het gegeven dat ook 7 procent van de niet-rokers voor de vijfenzestigjarige leeftijd
overlijdt, valt af te leiden, dat het niet alleen de roker is die de leeftijd van 65 jaar niet haalt.
Het is dus niet alleen de roker die op relatief jonge leeftijd overlijdt, zoals dat wel met de
openingszin gesuggereerd wordt. De uitspraak dat de roker al op relatief jonge leeftijd
overlijdt houdt een verkeerde generalisatie in, omdat er volgens de gegevens van het
onderzoek altijd nog 77procent zware rokers zijn die wel 65 jaar of ouder worden. In de
openingszin had dus niet moeten staan dat de roker op relatief jonge leeftijd overlijdt, maar
wel dat dit bij een gedeelte van de rokers (23 procent van de zware rokers bijvoorbeeld) het
geval is.
Ook de uitspraak dat uit het onderzoek blijkt" dat 7 procent van de niet-rokers voor de
leeftijd van 65 jaar overlijdt en dat dit bij 23 procent van de zware rokers en 11procent van
de lichte rokers eveneens het geval is", kan tot het ontstaan van misverstanden en
verkeerde conclusies aanleiding geven. Zo zou de lezer die van het relatief grote verschil
tussen de sterftecijfers van de niet-rokers en de rokers kennis neemt, wel eens tot de
conclusie kunnen komen dat dit verschil in sterftecijfers wèl het gevolg van het roken of
niet-roken moet zijn geweest. Het ligt niet voor de hand aan te nemen dat een dergelijke
conclusie ook zou worden getrokken, als de onderzoekers bij de presentatie van deze
resultaten hadden vermeld, dat zij alleen rook-gerelateerde gegevens( en dus niet andere
gegevens die eveneens op het zelfde sterftecijfer van invloed zijn), aan de sterftecijfers
gekoppeld hebben en dat er daarom bij de resultaten die in dit deel van het

onderzoeksverslag worden gepresenteerd, in ieder geval geen oorzaak en gevolg
conclusies mogen worden getrokken. Dit is eens temeer het geval, omdat men er bij dit
onderzoek niet in is geslaagd aan te tonen, dat er wel degelijk een causaal verband tussen
roken en sterfte zou bestaan.
Dit probleem dient zich ook aan bij de uitspraak dat uit het onderzoek blijkt dat" de
levensverwachting van zware rokers gemiddeld 13 jaar korter is, dan van mensen die nooit
hebben gerookt. En dat de geschatte levensverwachting van matige en lichte rokers
respectievelijk 9 en 5 jaar korter is dan bij niet-rokers het geval is" .Ook de beschrijving die
van dit deel van de onderzoeksresultaten gegeven werd, werkt verwarrend, omdat hiermee
ten onrechte de suggestie wordt gewekt dat dit alles wel het gevolg van het al dan niet
roken zal moeten zijn geweest Ten onrechte omdat in dit onderzoek ook weer in het geheel
wordt voorbij gegaan, aan de invloed van andere maatschappelijke en genetische factoren
die eveneens op het ontstaan van dezelfde ziektebeelden en bijbehorende sterftecijfers van
invloed kunnen zijn.
Uit al het voorafgaande valt op te maken dat het verrichten van een onderzoek naar de
invloed van maatschappelijke oorzaken op het sterftecijfer noodzakelijk is, omdat het
daarzonder niet mogelijk zal zijn om aan te kunnen tonen, of er al dan niet een causaal
verband tussen roken en sterfte bestaat. Een onderzoek waarbij dan zal moeten worden
nagegaan of rokers meer dan niet- rokers in woongebieden leven, die meer van
luchtvervuiling te lijden hebben dan bij andere woongebieden het geval is. En waarbij
eveneens vastgesteld zal moeten worden of, en zo ja in welke mate luchtvervuiling op het
sterftecijfer van invloed is.
Daarnaast zal bij dit onderzoek ook nog moeten worden nagegaan of rokers niet meer dan
niet-rokers in beroepen werkzaam zijn waarbij gedurende de gehele werkdag in het fijnstof
op en langs de wegen en andere bouwwerken moet worden gewerkt, of waarbij dagelijks
met gevaarlijke/giftige stoffen ,of onder levensbedreigende omstandigheden gewerkt moet
worden .Dit alles om vast te kunnen stellen of en zo ja in welke mate deze factoren en de
stress waarvan deze vergezeld gaan, niet eveneens op het sterftecijfer van invloed zijn.
Niet in de laatste plaats is verder onderzoek ook nog noodzakelijk, om te kunnen bepalen of
rokers al dan niet oververtegenwoordigd zijn in de lagere inkomensgroepen. En ook om
nader aan te kunnen geven hoeveel personen uit deze groepen al jarenlang van de
benodigde medische zorg en fysiotherapie hebben moeten afzien ,omdat zij geen geld
hadden om een aanvullende ziekteverzekering af te sluiten, en/of de vereiste eigen bijdrage
te kunnen betalen. En voorts om aan te kunnen geven om hoeveel personen het gaat die
als gevolg van deze beperkte toegang tot de fysiotherapie en medische zorg, bij het
optreden van pijnen, alleen maar op het gebruik van pijnbestrijdende medicijnen zullen zijn
aangewezen. Medicijnen die op termijn tot het gebruik van morfine zullen kunnen gaan
leiden met verslaving en vergiftiging als gevolg daar weer van. Dat bij dit onderzoek ook zal
moeten worden vastgesteld, wat de invloed van dit proces op de sterftecijfers van deze
groep van mensen is , laat zich raden.
Als mocht blijken dat de rokers bij al de hiervoor genoemde factoren oververtegenwoordigd
zouden zijn, zou het wel eens zo kunnen zijn dat roken niet meer dan een tussenliggende
variabele is, die het proces van sterven in het geheel niet verklaart, maar die daarentegen
wel verwijst naar bovenliggende factoren die hiervoor wel een verklaring geven. Maar ook
als dat niet het geval mocht zijn, zal bij het zoeken naar een verklaring van de verschillende
sterftecijfers in ieder geval vastgesteld moeten worden, wat het relatieve gewicht van de
invloed is die door elke afzonderlijke factor wordt uitgeoefend op het stervensproces.
Naast de invloed die mogelijk van het roken uitgaat, zal dus ook de invloed van de
verschillende maatschappelijke factoren moeten worden nagegaan.
Dit verwijst naar een onderzoeksmodel waarbij van meerdere experimentele- en

controlegroepen wordt gebruik gemaakt. En dat speciaal ontworpen is om onderzoek bij
grotere maatschappelijke verbanden te doen. Een onderzoeksmodel dat met name ook in
de sociale wetenschappen wordt gebruikt.
Het medische onderzoeksmodel waarbij van een relatief kleine experimentele-en
controlegroep wordt gebruik gemaakt, is speciaal ontworpen voor laboratoriumonderzoek.
Onderzoek waarbij er zorgvuldig op moet worden wordt toegezien, dat beide groepen met
uitzondering van de experimentele variabele, (vooral ook met betrekking tot andere factoren
die eveneens op het te bestuderen verschijnsel van invloed zouden kunnen zijn) , aan
elkaar gelijk zijn. Voor het onderzoeken van grote maatschappelijke verbanden is het
medische onderzoeksmodel minder geschikt, omdat daarbij slechts met één experimentele
variabele wordt gewerkt, en het vaststellen van de invloed van maatschappelijke variabelen in
laboratoriumsituaties niet goed mogelijk is.
Ook bij de beschrijving van de levensverwachting van de verschillende categorieën rokers
en niet-rokers wordt er door de onderzoekers, zonder dat zij dit hebben aangetoond,
impliciet van uitgegaan dat er wel degelijk een causaal verband tussen roken en sterfte
bestaat. En dat de levensduur in dit verband dus niet door andere factoren dan het roken
alléén, beinvloed wordt. Door slechts een factor ( roken ) aan het aantal levensjaren dat
door de verschillende categorieën wordt verloren te koppelen, en andere van invloed zijnde
factoren buiten beschouwing te laten, wordt ten onrechte de suggestie gewekt dat ook de
verschillen in de levensverwachting van rokers en niet- rokers wel het gevolg van het roken
of niet roken zullen moeten zijn.
Geschatte sterfte van(niet-)rokers tussen 30 en65 jaar, doodsoorzaak.
Bij dit deel van het onderzoek werd als een van de resultaten vermeld: " zo overleed naar
schatting 11 procent van de zware rokers voor hun 65ste jaar aan kanker,5 procent aan
longkanker. Aan een hart- of vaatziekte overleed 5 procent. Van de nooit-rokers overleed 3
procent aan kanker en 1 procent aan een hart-of vaatziekte." De argeloze lezer de van de
wijze waarop deze resultaten worden weergegeven, kennis neemt, zal ook bij deze
beschrijving weer geneigd zijn te denken dat de ongunstiger resultaten van de rokers wel
het gevolg van het roken zullen moeten zijn. Ook deze beschrijving is misleidend en werkt
het trekken van voorbarige conclusies in de hand, omdat daarbij niet werd aangegeven dat
er ook bij dit onderzoek werd voorbijgegaan aan de werking van andere (maatschappelijke)
factoren, die eveneens op het optreden van genoemde ziektes en sterftecijfers van invloed
kunnen zijn. En dat aan de hier gepresenteerde onderzoeksresultaten dus ook niet de
conclusie mag worden verbonden dat er een causaal verband bestaat, tussen roken
enerzijds en het ontstaan van bovengenoemde ziektes en sterftecijfers anderzijds.
Nabeschouwing
Al het voorafgaande overziende kan gesteld worden, dat:
-met dit onderzoek niet werd aangetoond dat dat er een causale relatie tussen
roken en sterfte bestaat .En dat aan de gepresenteerde onderzoeksresultaten
dus niet de conclusie mag worden verbonden, dat deze het gevolg van het roken
of niet-roken zouden zijn .Dat de onderzoekers dit desondanks (ten onrechte)
toch deden, blijkt onder andere uit zinsneden in het onderzoeksverslag zoals: "in Nederland
worden naar schatting 4 van de 10 voortijdige sterfgevallen veroorzaakt door roken" ,en
"roken is een oorzakelijke factor van een groot aantal maligniteiten....".Aangezien nergens in
dit onderzoek werd aangetoond dat er een causaal verband zou bestaan, kan gesteld
worden, dat het hier uitspaken betreft die ongeldig en pertinent onjuist zijn .Dat geldt
onverminderd ook voor de uitspraak van RIVM dat in het jaar tweeduizenddertien "19.000
mensen overleden aan de gevolgen van roken"En ook nog eens duizenden aan de
gevolgen van het meeroken". Ook deze uitspraken zijn ongeldig en onjuist, omdat ook

hierbij niet het bestaan van een causale relatie werd aangetoond.
Uit de teksten die op de bepakking van tabaksproducten moet worden weergegeven, blijkt
dat ook de overheid ten onrechte van mening is, dat er wel degelijk van een causaal
verband tussen roken en het ontstaan van bepaalde ziektes (met bijbehorende sterftecijfers)
sprake is .Ook deze teksten zijn ongeldig en onjuist omdat ook hier weer het bestaan van
een causale relatie in het geheel niet werd echter wel aangetoond.
-met dit onderzoek werd echter wel aangetoond dat er sprake is van een statisch verband
tussen roken en sterfte. Een verband dat erop wijst, dat het ontstaan van bepaalde ziektes
en de bijbehorende sterftecijfers niet alleen van de factor roken afhangt, maar daarnaast
ook nog van het optreden van een aantal andere (maatschappelijke) factoren afhankelijk is.
Dit houdt in, dat er aanvullend onderzoek zal moeten worden verricht om vast te kunnen
stellen welke factoren het hier naast de factor roken betreft, en wat het relatieve gewicht van
de invloed is die door elke factor op het stervensproces wordt uitgeoefend. Eerst dan zal
het pas mogelijk zijn om vast te kunnen stellen door welke factor(en) het meeste invloed
wordt uitgeoefend en waaraan bij het beschikbaar stellen van financiële middelen ter
bestrijding van het probleem in kwestie de voorkeur moet worden gegeven , Als bij dit
onderzoek blijken zou, dat van factoren zoals: stress als gevolg van ontslagbedreiging en/of
een te grote werkbelasting; een gebrekkige toegang tot de medische zorg en fysiotherapie
als gevolg van ontoereikende financiële middelen; het dagelijks moeten werken en wonen
op locaties die in een ernstige mate van fijnstof te lijden hebben; een grotere invloed uitgaat
dan bij het roken het geval is , dan zouden de gelden die thans aan het subsidiëren van
anti-rookorganisaties en anti-rookpropaganda worden uitgegeven, wellicht beter kunnen
worden aangewend voor de bestrijding van de nadelige effecten die uitgaan van die
factoren die de meest nadelige invloed hebben.
Door alleen de factor roken maar aan de onderzoeksgegevens te koppelen en aan alle
andere factoren van invloed voorbij te gaan, hebben de onderzoekers het zichzelf en de
beleidsvoerders wel erg gemakkelijk gemaakt, want door dit te doen, kan er ook maar één
factor als oorzaak van alle sterftecijfers worden genoemd, en laat dat nu "toevallig" het roken zijn.
Makkelijk is het ook omdat dan de verantwoordelijkheid voor het ontstaan van diens ziekte en voortijdige
dood volledig bij de individuele roker kan worden gelegd. en door de overheid ook geen ingewikkelde
maatregelen meer behoeven genomen te worden die benodigd zijn om de nadelige effecten tegen te
gaan van: het werken en wonen in gebieden die met veel luchtvervuiling te maken hebben; de
gebrekkige toegang tot de zorg als gevolg van ontoereikende financiële middelen bij de lager
inkomensgroepen; stress als gevolg van ontslagdreiging en/of te grote werkdruk, et cetera.
Door alleen de factor roken bij het onderzoek te betrekken en alle andere factoren van
invloed buiten beschouwing te laten, wordt ten onrechte de indruk gewekt dat die ene factor
ook de oorzaak van het te onderzoeken verschijnsel is. Dat er dus wel een causaal verband
tussen roken en sterven zou bestaan, hetgeen dus niet het geval is. Dit misverstand lijkt
vrijwel overal voor te komen en op alle denkbare niveaus veelal tot verkeerde conclusies te
leiden. Zo wordt bijvoorbeeld door het Trimbos-instituut vermeld dat er ieder jaar ongeveer
20.000 mensen aan de gevolgen van roken overlijden. Een uitspraak waaraan mevrouw
Ficq dan weer meent de conclusie te mogen verbinden, dat al diegenen die verantwoordelijk
zijn voor het produceren van tabaksartikelen als massamoordenaars gekenschetst dienen te
worden. Het misverstand dat er wel degelijk een causaal verband tussen roken en het
ontstaan van levensbedreigende ziektes zou bestaan, blijkt ook bij de overheid voor te
komen, en ook op dit niveau tot het trekken van onjuiste conclusies te leiden. De conclusie

bijvoorbeeld dat het levensbedreigende karakter van het roken de ontwikkeling van een anti-
rookbeleid zou wettigen, waarbij aan rokers en aan tabaksproducenten zelfs bepaalde

grondrechten mogen worden ontnomen. Zo wordt het recht van elke staatsburger om zelf te
mogen bepalen van welke informatie deze al dan niet wenst kennis te nemen, door de
overheid zelf geschonden, door de rokers te dwingen kennis te nemen van de teksten die

op de verpakking van de tabaksartikelen moeten worden weergegeven .En wordt het recht
op vrijheid van meningsuiting van de tabaksproducenten eveneens door de overheid
geschonden, door dezen te verplichten allerlei teksten op de verpakking van de
tabaksartikelen te laten afdrukken .Niemand kan immers gedwongen worden de mening van
een ander weer te geven die de zijne/hare niet is, ook niet als het een mening van de
overheid betreft. En natuurlijk al helemaal niet als het teksten met aparte
onjuistheden(nepnieuws) betreft, zoals hier het geval is. De onjuiste opvatting van de
overheid dat roken de oorzaak van het ontstaan van allerlei levensbedreigend ziektes is,
bracht ook de verkeerde conclusie met zich mee dat het opleggen van een hogere accijns
op tabaksartikelen, dan bij andere artikelen het geval is, eveneens gerechtigd zou zijn. Een
conclusie die in feite een pleidooi inhoudt voor een ongelijke behandeling van rokers en
tabaksproducenten, want het is niet duidelijk waarom de producenten die eveneens
producten maken die schadelijk voor de gezondheid zijn, en diegenen die van deze
producten gebruikmaken geen zeer hoge belasting zouden moeten betalen, en de rokers en
tabaksproducenten daarentegen wèl. Hierbij valt dan onder andere te denken aan de
producenten en gebruikers van producten die fijnstof en luchtvervuiling
produceren/verspreiden, alsmede aan de producenten van alcoholische dranken en drugs
die door de overheid wel getolereerd worden. Een andere denkfout van de overheid die hier
niet onvermeld mag blijven is, dat het volgens haar gerechtigd zou zijn om alléén aan de
tabaksproducenten een algeheel reclameverbod op te leggen.
Schending van belangrijke grondrechten, ongelijke behandeling met betrekking tot het recht
om reclame te mogen maken, en met betrekking tot de te betalen accijnzen , zijn belangrijke
aspecten van een beleid dat door de overheid met de term ontmoedigings- beleid werd
aangeduid, terwijl het in feite pure overheids- discriminatie inhoudt. Discriminatie waardoor
rokers en niet- rokers in alle geledingen van de maatschappij tegen elkaar worden opgezet.
Daarnaast meent de overheid op grond van haar onjuiste zienswijze op de gevolgen van het
roken ook nog gerechtigd te zijn, om van een stap- voor- stap- strategie gebruik te maken,
die ook in andere landen bij het discrimineren van minderheidsgroeperingen werd en nog
steeds wordt gebruikt. De strategie die in ons land werd gevolgd, liet dezelfde stappen zien
als elders het geval was. Zo bestond ook bij ons de eerste stap uit het in een kwaad daglicht
stellen van het gedrag van de rokers onder ons .Dezen zouden dom en asociaal zijn en de
gezondheid van anderen en zichzelf in gevaar brengen ,etc. In de daarop volgende stap
werd het recht van rokers om overal in restaurants en bars te mogen roken ingeperkt, maar
werd door de overheid wel nog rekening gehouden met de rechten van de rokers, door de
mogelijkheid van rookruimtes te creëren. In de derde stap werd door de overheid voor het
eerst geen rekening meer met de rechten van rokers gehouden ,en werd een totaal
rookverbod in alle openbare gebouwen afgekondigd. Ook in de treinen werd een algeheel
rookverbod ingesteld en werd het recht van rokers op een aparte wagon om te kunnen
roken, ontnomen. Het zou te ver gaan om hier een gedetailleerde beschrijving van alle
stappen van de gevolgde strategie te geven. Wel kan worden gesteld dat daarin door de
overheid getroffen maatregelen voorkomen zoals: het instellen van een reclameverbod; het
verbieden van roken op de werkplek; het bij voortduring verhogen van de tabaksaccijns'; het
verbod om rokende personen op de televisie in beeld te brengen ;vertegenwoordigers van
belangenorganisaties van rokers de toegang tot de volksvertegenwoordigers te ontzeggen
en hen niet uit te nodigen bij vergaderingen over het nog te formuleren rookbeleid van de
overheid; et cetera.{Nog niet werd de maatregel overwogen om net zoals nu bij de WHO
gebeurt, sollicitanten die roken om die reden af te wijzen.)
De onjuiste opvatting die bij de overheid over de gevolgen van het roken bestaat, leidt ook
nog tot de verkeerde conclusie dat er zonder enig bezwaar afspraken met de EU en WHO
over het te voeren rookbeleid kunnen worden gemaakt. Een beleid dat niet alleen op een
onjuiste zienswijze over de gevolgen van roken is gebaseerd, maar daarnaast ook nog

maatregelen bevat die op gespannen voet staan met een aantal grondrechten die in de
grondwet worden genoemd.
Mede onder invloed van de wet en regelgeving van de overheid hebben de pers en andere
communicatiemedia ervan afgezien om aan hun taak om de overheid kritisch te volgen,
inhoud te geven. En hebben door het klakkeloos aanvaarden van de opvattingen van de
overheid over de gevolgen van het roken, zelfs aan het verspreiden van onjuiste informatie
bijgedragen. En ook door alleen maar niet-rokers voor praatprogramma's en het schrijven
van artikelen over het rookbeleid uit te nodigen, zelf aan de discriminatie van rokers
meegewerkt
Slotconclusies en aanbevelingen
Wetenschappelijke basis
De wetenschappelijke basis van het huidige rookbeleid is ontoereikend.
Laat door één van de universiteiten een interdisciplinair onderzoek verrichten, naar de effecten
van alle van belang zijnde maatschappelijke factoren die naast de factor roken op dezelfde
ziektebeelden van invloed zijn.En laat daarbij ook het relatieve gewicht van de invloed van elk
van deze factoren vaststellen. Wijs desgewenst daarnaast ook nog een andere universiteit aan,
met het verzoek de wetenschappelijke juistheid van genoemd onderzoek na te willen gaan.
Opvattingen over democratie en besluitnemingsprocessen
Dat een van de belangrijkste functies van de grondwet is de belangen van individuen en
minderheidsgroepen tegen de alles overheersende macht van de overheid te beschermen, is
een zienswijze waarover weinig verschil van mening bestaat. Over de wijze waarop deze
bescherming moet plaatsvinden, lopen de meningen daarentegen echter wel uitéén. De
gangbare mening is tot nu toe steeds geweest dat de vertegenwoordigers in de Eerste-en
Tweede kamer het beste kunnen beoordelen of wetsvoorstel al dan niet strijdig is met hetgeen
in de grondwet is gesteld, en dat de belangen van de individuele burgers en
minderheidsgroeperingen daardoor ineen voldoende mate beschermd zullen zijn. Uit hetgeen
hiervoor met betrekking tot het gevoerde rookbeleid beschreven werd, blijkt echter dat van deze
zorg voor de bescherming van de belangen van de rokers en tabaksproducenten bitter weinig of
in het geheel niets is terecht gekomen. De juistheid van de stelling dat een en ander het beste
aan beide Kamers kan worden overgelaten, moet dan ook ernstig worden betwijfeld.
Hef het in ons land het nog steeds bestaande democratische tekort op, door ook bij ons de
rechtelijke macht de bevoegdheid te geven om de wet aan de grondwet te mogen toetsen. Al
was het alleen maar om daarmee te kunnen voorkomen, dat de overheid in een situatie kan
komen te verkeren, die vergelijkbaar is, met de situatie van de slager die zijn eigen vlees moet
keuren.
Een andere opvatting over de besluitneming in de democratie die tot nu toe gangbaar was, is
het beginsel dat de helft plus één beslist. En dat de minderheid dat dan maar moet aanvaarden,
Zonder dat de meerderheid daarbij de verplichting heeft om zo veel als mogelijk is, aan de
belangen van de minderheid tegemoet te komen. Een overheid die in geen enkel opzicht
probeert ook aan de belangen van de minderheid tegemoet te komen, houdt daarmee op een
democratie te zijn en verwordt alsdan tot een meerderheidsdictatuur. ( Zou een meerderheid
van 65% beslist, geen betere regeling zijn? )
De belangen van rokers bestaan daaruit dat hun recht om zelf te mogen bepalen of zij al dan
niet willen roken, door de overheid wordt erkend en dat hen de mogelijkheid wordt geboden om
van dit recht metterdaad ook gebruik te kunnen maken. In de wet- en regelgeving wordt
hierover met geen woord gerept, en worden er in feite alleen maar maatregelen genoemd die
erop gericht zijn, om de mogelijkheden om van het recht om te mogen roken metterdaad ook
gebruik te kunnen maken, steeds verder terug te dringen. Als het voornemen om ook het roken

in rookruimtes en op terrassen te verbieden werkelijkheid wordt, kan er nergens meer gerookt
worden en zullen wij in een samenleving met een meerderheidsdictatuur en een totaal
rookverbod verzeild raken, waarbij een vierde deel van onze bevolking met "succes" uit het
openbare leven verwijderd zal zijn.
Neem om dit te voorkomen en om de huidige discriminatie van rokers en tabaksproducenten
tegen te gaan, een aparte passage in de tabakswet op en geef daarin het volgende weer.
Dat het recht van de burger om zelf te mogen bepalen of hij/zij al dan niet wenst te roken door
de overheid wordt erkend. Dat de overheid er bijgevolg dus ook voor zal dienen te zorgen dat er
voldoende mogelijkheden voor rokers zijn, om metterdaad ook van dit recht gebruik te kunnen
maken. Hierbij zal het streven van de overheid erop moeten worden gericht om de thans nog
bestaande mogelijkheid om te mogen roken in stand te houden, en na te gaan, of er nog andere
mogelijkheden zijn te vinden om het roken in de openbare ruimte toe te staan zonder dat de
niet-rokers daar enige last van ondervinden. (Hierbij kan worden gedacht aan het verplicht

scheppen van rookruimtes in openbare gebouwen alsook in gebouwen van niet-
overheidsorganisaties, het creëren van bars en restaurants waar wel nog gerookt mag

worden als deze door eigenaars en personeelsleden worden gerund die zelf ook roken (een
rookvrije werkruimte is een recht maar geen plicht), en het in ere herstellen van rookcoupés
in de trein, als deze over een moderne afzuiginstallatie beschikken die in de wagons voor
een zuiverder lucht zorgen, dan in de buitenlucht het geval is.)
In de grondwet staat dat discriminatie op welke grond dan ook nimmer is toegestaan. Alle
ministers die de eed hebben afgelegd of de belofte hebben gedaan om de grondwet te
zullen handhaven, dienen er om die reden dus ook voor te zorgen, dat de discriminatie van
minderheidsgroepen die her en der in de samenleving voorkomt wordt tegen gegaan. Het is
dan ook te betreuren dat de ministers en staatssecretarissen van de opeenvolgende
kabinetten er niet in geslaagd zijn om de discriminatie van rokers en tabaksproducenten
waaraan de overheid zichzelf had bezondigd tegen te gegaan, en hun eed/belofte in dit
opzicht gestand te doen.
Leg het reclameverbod niet alleen aan tabaksproducenten op maar ook aan de producenten
van andere producten of grondstoffen die eveneens schadelijk voor de gezondheid zijn. Of
hef ook het verbod op tabaksreclame op in het geval men geen reclameverboden voor
andere producten wenst gestalte te geven.
Stop het oneigenlijke gebruik van de belastingwet om het gedrag van rokers te beïnvloeden,
en breng de tabaksaccijns terug tot normale proporties. Of, verhoog ook de accijns voor alle
andere producten die schadelijk voor de gezondheid zijn.
Verder is discriminatie van individuele burgers en minderheidsgroeperingen ook het
onvermijdelijke gevolg, als een aantal van de hen toekomende grondrechten door de
overheid geschonden wordt. Zo houdt de verplichting om door de overheid bepaalde teksten
op de verpakking van tabaksartikelen af te moeten drukken, een schending van het recht op
vrijheid meningsuiting van tabaksproducenten in, omdat niemand gedwongen kan worden
om de mening van een ander weer te geven die de zijne/hare niet is, ook niet als het een
mening van de overheid betreft. Genoemde verplichting is daarnaast ook nog eens
discriminatoir omdat een dergelijke verplichting niet aan andere fabrikanten wordt opgelegd,
die eveneens producten maken die nadelig voor de gezondheid kunnen zijn. Deze
verplichting is dus onrechtmatig te noemen omdat deze strijdig met de grondwet is.
Schaf deze verplichting af, of leg deze ook aan relevante andere producenten op. Als dit
laatste het geval mocht zijn dient er in ieder geval wel voor gezorgd te zijn dat deze teksten
geen onwaarheden bevatten, en dat daarin dus niet mag staan dat bepaalde ziekten of de

dood het gevolg van het roken zijn.
Tenslotte dient nog opgemerkt te worden dat de rechtmatigheid van het besluit om allerlei
teksten op de verpakking van tabaksartikelen te laten afdrukken, ook nog betwijfeld moet
worden omdat de rokers daardoor gedwongen worden om van deze teksten kennis te
nemen, of zij nu willen of niet. En omdat dat daarmee hun grondwettelijke recht op vrijheid
van informatie wordt geschonden, hun recht dus om zelf te mogen bepalen van welke
informatie zij wel of juist niet willen kennisnemen.
De huidige tabakswet en de bijbehorende regelgeving zal een ingrijpende verandering
moeten ondergaan. Dit is noodzakelijk om te hunnen voorkomen dat onze democratie op dit
gebied tot een meerderheidsdictatuur verwordt, waarin volledig aan de belangen van de
minderheidsgroepen (die in dit stadium alleen nog maar uit rokers en tabaksproducenten
bestaan), wordt voorbijgegaan. En waarbij dan een overheid ontstaat die niet langer meer
boven de partijen kan staan omdat zij zelf tot het niveau van een meerderheidspartij is
afgezakt. Herziening van de tabakswet is verder ook nog noodzakelijk om te voorkomen dat
de overheid er mogelijk over zou kunnen gaan denken, om ook in de toekomst op dezelfde
wijze met de belangen van andere minderheidsgroeperingen om te kunnen gaan ,Niet in de
laatste plaats ook is herziening van belang omdat de maatregelen die tot nu toe in het kader
van de huidige tabakswet getroffen werden, in feite alleen maar als resultaat hebben gehad
dat de rokers en niet-rokers erdoor tegen elkaar werden opgezet, en dat de reeds
bestaande haatgevoelens(als gevolg van discriminatie) er verder door werden
aangewakkerd .Of anders gezegd: dat het onbedoelde haat zaaien door de overheid,
beëindigd wordt.
Verder blijkt er ook nog een andere opvatting over de besluitneming in het huidige politieke
bestel te bestaan die hier niet onvermeld mag blijven. De opvatting namelijk dat als alle
leden van een groep maar op een zelfde wijze behandeld worden, er ook geen sprake van
discriminatie kan zijn . Een opvatting die impliceert dat zelfs het besluit om bepaalde
grondrechten aan een groep te onthouden, niet discriminerend is als dit besluit maar op
eenzelfde wijze op alle individuelle leden van die groep van toepassing wordt gebracht .De
voorstanders van deze zienswijze zullen daarbij dan wel voor de onmogelijke opgave
komen te staan, aan te moeten tonen, dat de zienswijze dat de overheid bevoegd zou zijn
om om bepaalde grondrechten aan alle leden van een minderheidsgroep te onthouden, niet
in strijd zou zijn met de verplichting die de overheid tegelijkertijd heeft, om diezelfde
grondrechten die in de grondwet beschreven staan, voor alle burgers te moeten handhaven
en beschermen. De zienswijze dat de overheid wel degelijk bevoegd zou zijn om bepaalde
grondrechten aan een minderheidsgroep te mogen ontzeggen, houdt in feite een verkort
pleidooi voor discriminatie van minderheidsgroepen in, en biedt aan drammerige
meerderheidsgroepen een welkome mogelijkheid, om aan alle in hun ogen onwelgevallig
gedragingen van minderheidsgroepen, een eind te maken.
Aangezien deze zienswijze in strijd is met hetgeen in de grondwet staat vermeld, mag en
kan deze dan ook niet worden gevolgd door overheidsfunctionarissen die met de
handhaving van de grondwet zijn belast.

Dit artikel is geschreven in de hoop daarmee een positieve bijdrage te kunnen leveren aan
een herziening van de huidige tabakswet die broodnodig is, en in dit verband tevens, aan
een verbetering van de kwaliteit van onze democratie.