De uitspraak van staatssecretaris Blokhuis dat hij geen algeheel rookverbod wil/kan afkondigen, houdt in feite een erkenning van het recht van de burgers in om zelf te mogen bepalen of zij al dan niet wensen te roken.

Erkenning van dit recht impliceert dan natuurlijk wel dat aan rokers dus niet de mogelijkheid mag worden onthouden, om metterdaad ook van dit recht gebruik te kunnen maken. Maar zeggen dat dit recht bestaat en tegelijkertijd allerlei maatregelen treffen die het in de praktijk onmogelijk maken om dit recht ook uit te kunnen oefenen, zoals dat nu gebeurt, houdt dan natuurlijk wel hetzelfde in als bij een totaal rookverbod het geval zou zijn geweest. De enige reden waarom het recht van de rokers gedeeltelijk wel mag worden ingeperkt, is daarin gelegen dat dezen bij het uitoefenen van hun rechten, de niet-rokers niet tot last mogen zijn. Beperkingen van het recht van rokers, om andere dan de hiervoor genoemde reden zijn verkapte pogingen om het totale rookverbod toch weer naderbij te kunnen brengen. Hierbij kan dan bijvoorbeeld worden gedacht aan het opheffen van de plicht van (overheids)organisaties om rookruimtes in te moeten richten, het opleggen van een verbod om tabaksreclame te mogen maken, buitensporig hoge tabaksaccijnzen vast te stellen, et cetera. Het is het een of het ander. We hebben ofwel een land met een totaal rookverbod zonder rechten voor rokers, ofwel een land zonder een totaal rookverbod, waarbij het recht van burgers om zelf te mogen bepalen of zij al dan niet willen roken ook door de overheid worden erkend, en waarbij verkapte pogingen zoals hiervoor werden genoemd, dus van de hand zullen moeten gewezen. Gelet op de uitspraak van de staatssecretaris dat hij geen voostellen voor het verbieden van het roken wil/kan doen, volgt dat we in een land zonder een totaal rookverbod zullen moeten leven, waarbij de rechten van
de rokers nu officieel ook, door de overheid zullen zijn/ moeten worden erkend en wettelijk moeten zijn/ moeten worden vastgelegd.

 

Rob van Heerde